Hoge Raad: Berekening BPM ingevoerde gebruikte auto in strijd met EU-recht

02-03-2012

De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijk voorgeschreven wijze van berekening van BPM voor uit het buitenland afkomstige gebruikte auto’s voor een deel in strijd is met artikel 110 van het EU-verdrag. Volgens dat verdrag mogen ingevoerde auto’s niet zwaarder worden belast dan soortgelijke auto’s die zich al in Nederland bevinden. Deze berekeningswijze sluit namelijk niet uit dat over een dergelijke auto meer BPM wordt geheven dan de BPM die nog rust op een gelijksoortige gebruikte auto die in Nederland in nieuwe staat is geregistreerd. Het ‘teveel’ aan BPM mag niet worden geheven. 

 

Achtergrond

In deze zaak liet een autobedrijf in 2010 een gebruikte, uit Duitsland afkomstige personenauto registreren in het Nederlandse kentekenregister. Voor die registratie was het autobedrijf BPM verschuldigd. Op grond van een rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie mag deze BPM niet meer bedragen dan de BPM die nog rust op een gelijksoortige gebruikte auto die in Nederland in nieuwe staat is geregistreerd (de referentieauto). Zo moet worden voorkomen dat de invoer van gebruikte auto’s uit andere lidstaten fiscaal wordt belemmerd.
 
Volgens de wet moet de BPM voor een gebruikte auto als volgt worden berekend. Eerst wordt berekend hoeveel die auto in waarde is gedaald vanaf de nieuwe staat tot de gebruikte staat. Deze waardedaling (afschrijving) wordt in percenten uitgedrukt. Dat percentage wordt toegepast op de BPM van deze auto die betaald zou zijn toen hij nog nieuw was. Voor het vaststellen van de waardedaling moet worden uitgegaan van de prijs waarvoor de autodealer de auto (in nieuwe staat) heeft aangekocht (inkoopwaarde). Het gaat niet om de echte inkoopwaarde, maar een fictieve. Deze komt neer op de catalogusprijs verminderd met bepaalde factoren die een weergave zijn van de veronderstelde handelsmarge van de dealer. Deze wettelijk voorgeschreven berekeningswijze resulteert voor de betreffende auto in een BPM-heffing van € 45.481. 
 
Het autobedrijf wilde minder betalen. Het vindt de wettelijke berekening in strijd met het EU-recht. Volgens hem is de wettelijk te betalen BPM meer dan de BPM die nog rust op een soortgelijke gebruikte auto die vanaf het begin in Nederland is. Naar zijn mening moet voor berekening van de afschrijving van die soortgelijke auto in nieuwe staat als beginwaarde niet de prijs worden genomen waarvoor de autodealer de auto heeft ingekocht maar waarvoor hij deze heeft verkocht (aan de eerste gebruiker). De berekening van de BPM heffing valt daardoor lager uit.
 
De wettelijk voorgeschreven berekeningswijze resulteert voor de onderhavige auto in een BPM-heffing van € 45.481. Het autobedrijf meent dat deze berekening onjuist is. Door uit te gaan van de inkoopwaarde is de auto in waarde minder gedaald en moet meer BPM worden betaald dan in werkelijkheid geacht kan worden nog op de referentieauto te rusten. Volgens het autobedrijf is € 39.952 aan BPM verschuldigd. 
 

Procedure bij Rechtbank en Hoge Raad

Rechtbank Arnhem heeft op 11 januari 2011 (LJN BP0702) geoordeeld dat de op basis van artikel 10, lid 2, van de Wet BPM voorgeschreven berekeningswijze in strijd is met Europees recht en heeft beslist dat aan het autobedrijf € 5529 aan BPM moet worden teruggegeven. 
 
De staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
 

Uitspraak Hoge Raad

De Hoge Raad stelt het autobedrijf in het gelijk en verklaart het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond. Bij de berekening van het bedrag aan BPM dat nog op de referentieauto rust, mag de marge die handelaren hebben gerealiseerd bij de verkoop van nieuwe auto’s niet buiten beschouwing worden gelaten. De waardevermindering van de referentieauto betreft het verschil tussen de totale prijs (waarvan de handelsmarge deel uitmaakt) die de koper heeft betaald voor de referentieauto in nieuwe staat en de huidige (tweedehands) waarde van die referentieauto. Het buiten beschouwing laten van de handelsmarge in de nieuwprijs zou tot gevolg hebben dat meer BPM is verschuldigd dan nog op de referentieauto rust. Dit belemmert de invoer van gebruikte auto’s en dat is in strijd met het Europese recht.
 

Gevolgen van deze uitspraak

Door de uitspraak van de Hoge Raad is de teruggave van € 5529 aan BPM die door de Rechtbank Arnhem was gelast definitief geworden. Een en ander brengt mee dat de met toepassing van de regeling berekende BPM alleen niet verschuldigd is, indien en voor zover deze berekening tot gevolg heeft dat het bedrag van de BPM die nog rust op vergelijkbare auto's die reeds in Nederland waren geregistreerd, wordt overschreden.
 
« Terug naar overzicht


Pagina's



Independer Auto 728x90
Auto onderdelen 24      Auto banden en velgen